Historie

De eerste geschiedenis van Suriname

Inleiding

Kaart van het Noordoostelijk deel van Suriname, met daarop een groot aantal plantages rondom de Suriname- en Commewijne rivier. Ten zuidoosten van Paramaribo ligt Plantage De Peperpot.

De Indianen zijn de oorspronkelijke bewoners van Suriname. Nog steeds leven er in het zuiden van Suriname enkele oorspronkelijke Indianenstammen. De moderne geschiedenis begint rond 1500. Nadat in korte tijd Spanjaarden, Fransen en Engelsen even hun gezicht in Suriname hebben laten zien was het in 1667 de Zeeuw Crijnssen die Suriname veroverde op de Engelsen. Via de vrede van Breda werd Suriname “geruild” tegen New York. Toentertijd logisch, omdat Suriname al enige plantages en rijkdom bezat en New York alleen nog maar bestond uit een aantal lemen hutten. In 1682 werd Suriname door de Zeeuwen voor fl. 280.000,= overgedragen aan de West Indische Compagnie (WIC), aan de stad Amsterdam en aan de heer van Sommelsdijck, die de eerste gouverneur van Suriname werd. Suriname kreeg de status van een “geoctrooieerde Sociëteit”, waarin kolonisten aanzienlijke inspraak hadden. Het “octrooi” werd een soort grondwet. Het hoogste gezag werd uitgeoefend door de gouverneur.

De plantages

De Engelsen waren al direct begonnen met het aanleggen van plantages. De eerste plantages waren suikerrietplantages en lagen, met het oog op het vervoer, langs de rivieren. De Hollanders namen het vanaf 1667 over van de Engelsen en breidden de plantages uit naar de vruchtbare kuststrook. Het feit dat de Hollanders veel van inpolderen wisten zal hier beslist een rol in hebben gespeeld. Het aantal plantages groeide snel tot wel 600. Suikerriet was erg bewerkelijk en de planten moesten relatief snel vernieuwd worden en daarom moesten er nieuwe velden worden aangelegd. Het probleem daarbij was dat het bijna ondoordringbare oerwoud moest worden gekapt en klaargemaakt voor suikerriet. Dat was zowaar geen eenvoudige opgave. Al snel werden er plantages aangelegd voor de koffieteelt. Dit ging gemakkelijker, omdat het minder bewerkelijk was. De koffiebomen hoefden pas na enkele tientallen jaren te worden vervangen. Rondom Paramaribo ontstonden de eerste plantages, waarvan de Peperpot er één was.

Slavernij

In eerste instantie probeerden de Europeanen de Indianen te dwingen tot slavernij, maar dat werd een fiasco. Via Afrikaanse tussenhandelaren werden de slaven via schepen overgebracht naar het Caribische gebied en Amerika. De slavenhandel was relatief duur. Er moest behoorlijk voor worden betaald aan de tussenhandelaren en tijdens de overtocht overleden nog eens vijftien procent van de slaven. Dat hoge sterftecijfer werd vooral veroorzaakt door besmettelijke ziekten en de onmenselijke omstandigheden tijdens het vervoer. De mannen werden geketend en sliepen gescheiden van de vrouwen. Na keuring en verkoop belandden vele slaven op de plantages. Het werk was zwaar en bestond uit het kappen van oerwoud, het bewerken van de grond en het graven van sloten. De zogeheten “blankofficieren” hielden toezicht en luiheid en slechte prestaties werden bestraft met zweepslagen of nog ergere maatregelen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat vele slaven het oerwoud invluchtten. De ontsnapte slaven werden Marrons genoemd, naar het Spaanse woord cimarron, waarmee eerst loslopend of weggelopen vee werd bedoeld, maar dat later ook voor gevluchte slaven werd gebruikt. Het verschijnsel werd marronage genoemd. De weglopers waren zoutwaterslaven, zo genoemd omdat zij vanuit Afrika via de zoute Atlantische oceaan in Suriname waren beland. Na hun ontsnapping vestigden zij zich in het oerwoud. Zij zorgden voor veel onrust door steeds plantages te overvallen. Eind 18e eeuw werd er vrede gesloten tussen de blanken en de slaven/Marrons.

Afschaffing van de slavernij en de contractarbeiders

Muurschildering in Hotel Torarica, Paramaribo, met daarop de verschillende bevolkingsgroepen van Suriname afgebeeld

In de loop van de negentiende eeuw klonk steeds meer de roep om afschaffing van de slavernij, vooral omdat het onmenselijk was en niet meer thuishoorde in de zich vernieuwende samenleving. In Nederland werd op 9 juli 1862 met 47 tegen 11 stemmen besloten dat de slaven hoogstens tien jaar onder Staatstoezicht gesteld zouden worden, wat inhield dat de vrijgemaakte slaven opgeleid werden tot het familie- en maatschappelijk leven. De eigenaren van de slaven kregen fl. 300,= per slaaf als schadeloosstelling. Verder werd ook nog eens één miljoen gulden vrijgemaakt om nieuwe arbeidskrachten aan te stellen. Op 1 juli 1863 was het zover. In Suriname werden 32.911 slaven vrijgelaten. Al sinds het tweede kwart van de 19e eeuw was de invoer van slaven afgeschaft.

Men zocht naar wegen om contractarbeiders naar Suriname te halen. De eerste contractarbeiders waren de Chinezen. Het werd geen succes, omdat vele Chinezen tijdens de reis overleden. De Nederlandse overheid maakte er een overheidszaak van, omdat de Engelsen het particulier initiatief dwarsboomden. In 1870 werd een traktaat met de Britse regering gesloten dat Nederland arbeidskrachten mocht werven in Brits-Indië. De Britten hielden alles wel nauwgezet in de gaten. Na Brits-Indië was Java aan de beurt. In 1890 kreeg de Nederlandse Handelmaatschappij toestemming om arbeiders in Java te ronselen voor Suriname. Op deze wijze kwamen vele Hindoestanen en Javanen naar Suriname, waarin ze nu al aardig geïntegreerd zijn.

@font-face { font-family: “Verdana”; }@font-face { font-family: “Calibri”; }@font-face { font-family: “Tahoma”; }@font-face { font-family: “Verdana-Bold”; }@font-face { font-family: “ArialMT”; }p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal { margin: 0cm 0cm 10pt; line-height: 115%; font-size: 11pt; font-family: “Times New Roman”; }a:link, span.MsoHyperlink { font-family: Verdana; color: rgb(35, 153, 72); font-weight: bold; text-decoration: none; }a:visited, span.MsoHyperlinkFollowed { color: purple; text-decoration: underline; }strong { }p { margin-right: 0cm; margin-left: 0cm; font-size: 12pt; font-family: “Times New Roman”; }p.MsoAcetate, li.MsoAcetate, div.MsoAcetate { margin: 0cm 0cm 0.0001pt; font-size: 8pt; font-family: Tahoma; }p.MsoNoSpacing, li.MsoNoSpacing, div.MsoNoSpacing { margin: 0cm 0cm 0.0001pt; font-size: 11pt; font-family: “Times New Roman”; }p.maintekst, li.maintekst, div.maintekst { margin-right: 0cm; margin-left: 0cm; font-size: 9pt; font-family: “Times New Roman”; }span.subtitel1 { font-family: Verdana; color: rgb(187, 0, 34); font-weight: bold; }span.onderschrift { }span.maintekst1 { font-family: Verdana; }p.stijl7, li.stijl7, div.stijl7 { margin-right: 0cm; margin-left: 0cm; font-size: 12pt; font-family: “Times New Roman”; }span.style11 { }span.BalloonTextChar { font-family: Tahoma; }span.stijl1 { }div.Section1 { page: Section1; }ol { margin-bottom: 0cm; }ul { margin-bottom: 0cm; }

Slaven op de Peperpot

Alvorens in te gaan op de slaven (voor zover bekend) op de Peperpot is het goed om te weten hoe de geschiedenis over de slavernij er in het kort uitziet.

Plantage-economie (1500)

Rond 1500 ontstond in Amerika de plantage-economie.
Toen de eerste Europeanen rond 1500 in Amerika aankwamen bleek dit nieuwe werelddeel geschikt te zijn voor tropische landbouw. In Europa was er een grote vraag naar producten als suiker, koffie, cacao, tabak en katoen en die konden prima verbouwd worden in de Nieuwe Wereld. De Europeanen verdreven de inheemse bevolking en kregen de beschikking over grote stukken grond waar plantages werden aangelegd. Op de meeste plantages werd meestal één handelsproduct verbouwd, bestemd voor de export naar Europa. De slaven kwamen in groten getale uit Afrika en daarmee waren er genoeg goedkope werkkrachten.

De invoering van de plantage-economie in Suriname (1651)

Suriname werd in 1651 door de Engelsen gekolonialiseerd. Aan de oevers van de Surinamerivier werden ongeveer 50 plantages aangelegd en daarop werd tabak en suiker verbouwd. De Nederlanders hebben er later nog katoen en cacao aan toegevoegd. In 1667 werd Suriname door de Zeeuwen op de Engelsen veroverd. Al snel hadden de Zeeuwen en later de Hollanders in de gaten dat het werken op het land en in het oerwoud zwaar was, zeker in het tropische klimaat. Eerst werden de oorspronkelijke indianen ingezet om op de plantages te werken, maar dat draaide uit op een fiasco. Al snel kwamen uit Afrika de slaven.

Verschillende soorten slaven

Op de plantages werden drie soorten arbeid verricht: landarbeid, ambachtelijke arbeid en huisslavernij. Bij deze soorten arbeid behoorden slaven: veld-, ambachts- en huisslaven. Het spreekt voor zich dat veldarbeid het zwaarst was. Meestal werden de veldslaven in de gaten gehouden door andere slaven, die uitgerust waren met zwepen. Zij kregen op hun beurt weer instructies van “Blankofficieren” en deze waren in dienst van de plantage-eigenaren, die per slot van rekening het toezicht niet alleen af konden, omdat de plantages vaak te groot waren. Deze constructie was overigens niet overal zo. Op de Peperpot was vaak veel te weinig toezicht op de slaven. Minder zwaar was het werk van de ambachtslieden, die vaak te werk werden gesteld als timmerman of metselaar. De huisslaven hadden het er relatief het best. Ze waren vaak een statussymbool voor de eigenaar, waardoor er teveel slaven in het huis aan het werk waren. Ze hadden weinig te doen en hadden derhalve veel vrije tijd.

Vaak kwam het voor dat huisslaven kinderen kregen van de plantage-eigenaren, omdat er in Suriname maar weinig blanke vrouwen waren. Blanke plantage-eigenaren waren voor hun seksuele behoeftes aangewezen op de vrouwelijke huisslaven. Kinderen die hieruit voortkwamen werden “Mulatten” genoemd. Vaak werden ze vrijgelaten of vrijgekocht. Zij trokken meestal naar Paramaribo om zich daar als “vrije zwarten” of “gekleurden” te vestigen.  Meestal kwamen ze in een ambachtelijk beroep terecht. Het gebeurde ook regelmatig dat huisslaven, na jarenlange dienst op hogere leeftijd werden vrijgelaten.

Gemengde samenleving

Vanaf 1830 was er geen overzichtelijke tweedeling meer in Suriname, de vrije kleurlingen hadden het aantal blanken al ruimschoots overtroffen. Om het verschil tussen vrije kleurlingen en slaven duidelijk te houden moesten de vrije kleurlingen christelijk onderwijs volgen en mochten ze niet trouwen met slaven (1733). De vrijgeboren kleurlingen werden nog steeds achter gesteld door de blanken, alhoewel ze dezelfde rechten hadden. Zo kwamen ze bijvoorbeeld niet op blanke scholen. Op den duur ontstond er een kleine gekleurde elite, die vanaf het begin van de 19e eeuw zelfs onderwijs ging volgen in Nederland.

De Peperpot

De Peperpot was een plantage aan de beneden Surinamerivier. In de 18e eeuw werkten aan de beneden Surinamerivier in totaal 3378 slaven. De Peperpot was een koffieplantage en kweekgrond, stroomopwaarts grenzend aan de suikerplantage La Liberté en stroomafwaarts aan de kweekgrond Mopentibo. De plantage werd bewerkt door privéslaven. Eigenaar was de heer M.S. de Veer. De plantage was 900 akkers groot. In de eerste helft van de 19e eeuw werkten er 51 slaven en hun namen waren:

Beauregard Broos Landlust Sumter

Bergschot Dageraad Lee Veeders

Bergstein Dandy Monitor Wilder

Bertrand Echteld Morgenster Zevenbergen

Boerhaaf Hillbrand Proctor

Boston Hodge Sterkenburg

Behandeling van de slaven

Vele slaven bleven hun hele leven eigendom van de plantage-eigenaar. Verder was het voor de plantage-eigenaar belangrijk dat de slaven niet te slecht werden behandeld, tenslotte waren het zijn arbeidskrachten. Zij waren een kostbaar bezit. Wanneer de slaven in opstand kwamen waren de blanken altijd in de minderheid en derhalve machteloos. Dat neemt niet weg dat slaven met grote regelmaat zwaar werden mishandeld. Om de kleinste vergrijpen werden ze met de zweep geslagen, bij een zware overtreding werden ze geslagen tot de dood erop volgde. De officiële justitie in Paramaribo strafte ongehoorzame slaven streng. De straf voor het vluchten van de plantage was bijvoorbeeld het doorsnijden van de achillespezen of het afzetten van een been. Andere straffen waren radbraken, verbranden en ophangen aan een haak die door de ribben werd gestoken. Deze straffen dienden als afschrikmodel voor de rest van de slaven, die het wel uit hun hoofd lieten tegen de bevelen van de blanken in te gaan. De blanken dachten hiermee streng edoch rechtvaardig op te treden.

Of de slaven ook op deze wijze op de Peperpot werden gestraft is aannemelijk maar niet helemaal duidelijk. Toen er op de Peperpot slaven in dienst waren die privébezit waren, zal het voor de eigenaar belangrijk geweest de slaven goed te behandelen.

Aantallen slaven

In 1843 waren er volgens de Surinaamse almanak op de Peperpot (Peprepatoe) 66 slaven. De plantage was 902 akkers groot. Er werd koffie en cacao op verbouwd. De eigenaar/directeur was C.L. de Veer.
De Peperpot werd al veel eerder genoemd, in ieder geval in 1741 (R. Bijlsma, index plantage-inventarissen 1713 – 1742), als datum van inventarisatie.Op de kaart van A. de Lavaux uit 1737 komt de Peperpot ook voor.

De Peperpot was toen 700 akkers groot en de eigenaren waren de erven van W. Hallewijn, die overigens ook de ernaast gelegen Mopentibo (300 akkers groot) bezaten. In 1770 was de Peperpot ook 700 akkers groot. Eigenaren waren toen ook nog de erven van de familie Hallewijn.

In de Surinaamse almanak uit 1793 staat het volgende geschreven: “Op de Peperpot worden koffie en katoen verbouwd. De eigenaar is L.W. baron van Essen, de directeur is J.G. Zaltzman en de administrateurs zijn Stockel en N. Walewyn.”

Uit de Surinaamse almanak uit 1821 blijkt de Peperpot 902 akkers groot te zijn. Er wordt koffie op verbouwd. De eigenaar is M. Broen, de directeur is V. Kuvel en de administrateurs zijn C.L. Weissenbruch en S.M. Klein.